Ik zocht en zocht en zocht. Of men zoektocht, men eindeloze zoektocht opnieuw begon.
Ik moest haar vinden , ik wil haar vinden , ik zal haar .. Vinden.
Daar stond ze.
Ik zag haar.
Dankje, wie me ooit ogen geschonken heeft , dankje.
Dank ù.
Bedankt.
Ze verlichtte het veld.
Het koren voor haar weerkaatste het licht voor enkele seconden.
Zo kort en toch zo , zo ongelooflijk lang.
Zo intens.
Ik sta in de schaduw van de boom.
Onze boom.
Het dauw koelde de hitte die men gevoel en hart veroorzaakten.
Men voeten koelden af.
Werden Koud.
Ik voelde het niet.
De Koude.
Zij verwarmt mij.
Zij heeft de kracht , de moed.
Moest zij zich op de noordpool bevinden dan , dan zou die spontaan smelten.
Water worden.
Bodems uithollen, wegen banen waar mogelijk,
En alles is mogelijk.
Water , zoals wij het noemen , is Nergens en Overal.
Ze scheen.
Omhoog.
Wenkend naar de hemel.
Drie keer kort, 3 keer lang , 3 keer kort.
De Maan, de Sterren, de verscholen Zon.
Alles, het hele heelal, de wereld en alles rondom wenkte terug,
Naar Haar.
S.O.S.
Ze zend een S.O.S. uit naar de Hemel.
De Hemel die haar zo ongelooflijk ultiem begrijpt.
Tot in haar diepste diepten.
De Hemel verlichtte de allerdonkerste ruimtes.
De Hemel verlicht de nacht.
De Hemel is er altijd.
De Hemel waakt.
Boven ons.
Over ons.
En dan verdween ze.
Haar ogen sluiten.
Het Licht daalt.
Schijnt niet meer naar de Hemel maar naar de Grond.
Ze maakt de connectie.
De verbinding.
Tussen Hemel en dat wat wij Aarde noemen.
Haar hoofd het Licht volgend.
En dan ... Plots.
Ging het licht uit.
Een straal glinstering afkomstig van de Ster, Haar Ster, verlichtte haar gezicht.
Haar gevoel weerspiegelend naar Boven.
Alle last van haar wegnemend.
Rust.
Volkomen, Ultieme , Rust.
Vanuit haar ooghoek verschijnt een Parel.
Een parel die een druppel wordt.
Die zwaarder wordt.
Die in een golvende lijn naar beneden stroomt.
Sommigen onder ons noemen het een Traan.
Ik niet.
Ik noem het een Zee.
Een Zee stromend uit Haar verlichtte Geest.
Bestaand uit Water.
Zout water.
Zich overal een weg door banend.
Haar ogen bleven gesloten.
Maar ik voelde dat ze keek.
Ze keek naar de Hemel.
Voelde de Hemel.
Beleefde de Hemel.
De glinstering in de lichtstraal , vertrekkend uit haar ster en eindigend in haar geest , verdween.
Langzaamaan.
Zachtjes .
Maar zeker.
De traan viel.
In een rechte luchtweg naar beneden.
Naar de grond.
Naar het midden van de aarde rijkend.
De traan verdween niet.
Hij is niet verdampt.
Bestaat nog steeds.
Op die plaats.
De plaats van de Parel staat nu een bloem.
De Bloem bloeit het hele jaar door.
Kijk goed en je zal de Bloem zien.
Je zal Haar zien.
Haar blik rijkt nog steeds naar de Hemel.
Haar ogen steeds gesloten.
En toch, toch weet Ik.
Geloof ik.
Dat Zij Mij al die tijd gezien heeft.
Ze weet het.
Ze weet dat Ik er ben.
Ik besta .
Ik moest haar vinden , ik wil haar vinden , ik zal haar .. Vinden.
Daar stond ze.
Ik zag haar.
Dankje, wie me ooit ogen geschonken heeft , dankje.
Dank ù.
Bedankt.
Ze verlichtte het veld.
Het koren voor haar weerkaatste het licht voor enkele seconden.
Zo kort en toch zo , zo ongelooflijk lang.
Zo intens.
Ik sta in de schaduw van de boom.
Onze boom.
Het dauw koelde de hitte die men gevoel en hart veroorzaakten.
Men voeten koelden af.
Werden Koud.
Ik voelde het niet.
De Koude.
Zij verwarmt mij.
Zij heeft de kracht , de moed.
Moest zij zich op de noordpool bevinden dan , dan zou die spontaan smelten.
Water worden.
Bodems uithollen, wegen banen waar mogelijk,
En alles is mogelijk.
Water , zoals wij het noemen , is Nergens en Overal.
Ze scheen.
Omhoog.
Wenkend naar de hemel.
Drie keer kort, 3 keer lang , 3 keer kort.
De Maan, de Sterren, de verscholen Zon.
Alles, het hele heelal, de wereld en alles rondom wenkte terug,
Naar Haar.
S.O.S.
Ze zend een S.O.S. uit naar de Hemel.
De Hemel die haar zo ongelooflijk ultiem begrijpt.
Tot in haar diepste diepten.
De Hemel verlichtte de allerdonkerste ruimtes.
De Hemel verlicht de nacht.
De Hemel is er altijd.
De Hemel waakt.
Boven ons.
Over ons.
En dan verdween ze.
Haar ogen sluiten.
Het Licht daalt.
Schijnt niet meer naar de Hemel maar naar de Grond.
Ze maakt de connectie.
De verbinding.
Tussen Hemel en dat wat wij Aarde noemen.
Haar hoofd het Licht volgend.
En dan ... Plots.
Ging het licht uit.
Een straal glinstering afkomstig van de Ster, Haar Ster, verlichtte haar gezicht.
Haar gevoel weerspiegelend naar Boven.
Alle last van haar wegnemend.
Rust.
Volkomen, Ultieme , Rust.
Vanuit haar ooghoek verschijnt een Parel.
Een parel die een druppel wordt.
Die zwaarder wordt.
Die in een golvende lijn naar beneden stroomt.
Sommigen onder ons noemen het een Traan.
Ik niet.
Ik noem het een Zee.
Een Zee stromend uit Haar verlichtte Geest.
Bestaand uit Water.
Zout water.
Zich overal een weg door banend.
Haar ogen bleven gesloten.
Maar ik voelde dat ze keek.
Ze keek naar de Hemel.
Voelde de Hemel.
Beleefde de Hemel.
De glinstering in de lichtstraal , vertrekkend uit haar ster en eindigend in haar geest , verdween.
Langzaamaan.
Zachtjes .
Maar zeker.
De traan viel.
In een rechte luchtweg naar beneden.
Naar de grond.
Naar het midden van de aarde rijkend.
De traan verdween niet.
Hij is niet verdampt.
Bestaat nog steeds.
Op die plaats.
De plaats van de Parel staat nu een bloem.
De Bloem bloeit het hele jaar door.
Kijk goed en je zal de Bloem zien.
Je zal Haar zien.
Haar blik rijkt nog steeds naar de Hemel.
Haar ogen steeds gesloten.
En toch, toch weet Ik.
Geloof ik.
Dat Zij Mij al die tijd gezien heeft.
Ze weet het.
Ze weet dat Ik er ben.
Ik besta .

